Laden...Even geduld aub...

Categorieën


Onze nieuwsbrief


Algemene Informatie

De band vormt het enige contactpunt tussen het voertuig en de weg. Gebruikers moeten er dus zorg voor dragen dat de kwaliteit en de prestaties van de banden behouden blijven. Om hiervoor te zorgen is het aan te raden om de volgende veiligheisvoorschriften en gebruiksadviezen na te leven. Deze aanbevelingen zijn geldig behoudens meer restrictieve lokale bepalingen: wettelijk, reglementair, vereisten, enz. 

BANDENSPANNING

bANDENSPANNING_mICHELIN.jpg

 

       De meeste schade aan banden ontslaan door de verkeerde bandenspanning. Bovendien beïnvloedt de bandenspanning ook het rijgedrag van de motor. De bandenspanning wordt door de motorenfabrikant voorgeschreven en is in het handboek en op een sticker bij de achtervork of bij de kettingkast te vinden. De bandendruk moet voor de rit bij koude banden worden afgesteld. De door het rijden te verwachtende stijging van de bandenspanning mag niet gereduceerd worden. De bandenspanning moet 1x per week gecontroleerd worden. Rijdt u met een passagier of veel bagage dan is het raadzaam de bandenspanning achter met 0,2 BAR te verhogen. Te lage bandenspanning kan de oorzaak zijn voor overmatig verhitten van de achterband en kan ook er voor zorgen dat de band gaat lopen wat er voor zorgt dat de band kapot gaat. Te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijgedrag, op het rijcomfort en slijtageproces wordt versneld. Na controle van de bandenspanning raden wij u aan de ventieldop met de rubberen sluiting op het ventiel te schroeven.

PROFIELDIEPTE

Volgens de verkeerswet is een minimum profieldiepte voor van 1,6 millimeter verplicht. Dit is tegenwoordig makkelijk te controleren door de slijtage indicatoren te checken. De "Tread Wear Indicator" is een kleine verhoging (meestal 1,6 mm) in het profiel van een luchtband waarmee de slijtage gecontroleerd wordt. Raakt de verhoging de weg dan is de band versleten. U vindt deze indicatoren in de rillen van het profiel ter hoogte van de markering TWI.  Het wordt aanbevolen om de band bij een profieldiepte van 2 mm al te verwisselen.

     Profieldiepte.jpg

NIEUWE MOTORBANDEN  [ WAAR DIENT U OP TE LETTEN ]

Bij het monteren van banden met een binnenband is het aan te bevelen standaard nieuwe binnenbanden te gebruiken. Omdat de oude binnenbanden uitgezet hebben bestaat bij hergebruik het gevaar dat de band niet goed gemonteerd wordt waardoor de band met een plooi gemonteerd wordt. Ook kan het materiaal al dunne plekken hebben. Hierdoor kan de band tijdens het rijden exploderen. Bij het monteren van tubeless banden wordt aanbevolen nieuwe ventielen te gebruiken. Dit komt uw veiligheid ten goede. Omdat bij het remmen, versnellen, hogere snelheden de middelpuntvliedende krachten het ventiel in het uiterste geval tot 90° buigen kunnen, moeten korte ventielen gebruikt worden. In bewegende toestand bij snelheden van meer dan 200 km/u zijn de middelpuntvliedende krachten op het ventiel zo groot dan de veerspanning en de bandendruk niet meer toereikend zijn om het ventiel gesloten te houden. Kortere ventielen hebben een hogere veerspanning als lange en zijn dus beter geschikt.

INRIJDEN MOTORBANDEN

Na montage van nieuwe motorbanden moeten de eerste kilometers met aangepaste snelheid gereden worden (in het bijzonder bij nat of koud weer) tot de banden de benodigde bedrijfstemperatuur voor een optimale grip bereikt hebben. Nieuwe banden hebben een gladde bovenlaag en moeten daar over een afstand van 200 km met aangepaste rijwijze ingereden worden. Deze tijd heeft de band nodig om zich optimaal aan de velg aan te passen en door opruwing van de bovenlaag de optimale grip te bereiken. Banden voor motoren ontvouwen hun prestaties vanaf een zekere bedrijfstemperatuur en u doet er goed aan deze eerst warm te rijden.

LEVENSDUUR

De kilometrage van motorbanden (in het bijzonder de achterband op een krachtige motor) kan en mag niet vergeleken worden met de kilometrage van auto- of vrachtwagenbanden. De levensduur is ook sterk van de rijwijze en van de motor afhankelijk. Door het geringe netto gewicht van de motor kunnen hoge versnellingen gerealiseerd worden. De achterband staat dan bloot aan extreem veel wheel spin en dit betekent een verhoogde slijtage. Een passagier die dan voornamelijk het gewicht op de achterband verhoogd wordt dan ook terecht een bandenbeschermer genoemd. De achterband wordt met meer gewicht op het wegdek gedrukt en heeft daarom minder wheel spin en hierdoor gaat de band dan ook langer mee.

BANDENREPARATIE

Op basis van voorschriften in individuele landen kan geen algemene aanbeveling voor het repareren van banden gegeven worden. Als een reparatie geoorloofd is raden wij u aan alleen kleine gaten in het loopvlak met behulp van een prop te repareren. Het toepassen van een binnenband om een beschadigde tubeless band te repareren is niet toegestaan. In principe bevelen wij aan een beschadigde band te vervangen. Dit komt uw veiligheid ten goede. In principe geldt ook dat het bedrijf die de reparatie doet u ook garantie daarvoor geeft.      Bandenreparatie.jpg

BALANCEREN MOTORBANDEN

Motorbanden kunnen niet perfect rond en uitgebalanceerd geproduceerd worden, daarom moeten nieuwe banden altijd vakkundig uitgebalanceerd worden. Als er klem- of plaklood aan de twee buitenzijden van de velg zijn geplaatst en deze zich op een verschillende positie bevinden, is er dynamische onbalans gecorrigeerd. Als er plaklood aan de twee buitenzijden van de velg zijn geplaatst en deze zich op dezelfde plaats, dan is er statisch gebalanceerd. Dynamisch balanceren blijft echter nog steeds de beste oplossing om ophanging en lagers te sparen. Ook al merkt de bestuurder het niet, de onbalans is wel degelijk aanwezig. Bij dynamisch balanceren worden de loodjes zover mogelijk aan de buitenzijde van de velg geplaatst. Hoe verder naar buiten, des te kleiner het benodigde gewicht. Na iedere veranderde kettinginstelling of op- of afgemonteerd wiel moet u de wielen opnieuw uitbalanceren. Iedere omwenteling van een verkeerd afgestelde band leidt tot meer slijtage en kortere levensduur van een band, beïnvloedt de stabiliteit en dus het rijgedrag.

Statisch Balanceren kan in zijn geheel zonder wielomdraaiingen gedaan worden. Indien een wiel statisch wordt gebalanceerd, wordt er eigenlijk alleen een verticale beweging gecompenseerd. Bij statisch balanceren maakt het niet uit waar het gewicht wordt geplaatst. Dit kan in theorie aan de buitenzijde, binnenzijde of in het midden zijn. Wat echter niet vergeten mag worden is dat plaatsing van het balanceergewicht uit het midden, invloed heeft op de dynamische onbalans. Plaats het lood dus bij voorkeur in het midden van de velg       Balanceerapparaat.jpg               Dynamisch Balanceren kan alleen bij een draaiend wiel gedaan worden. Bij bredere wielen (de algemene grens is vanaf 4,5 inch breed), gaat de wet moment = kracht x arm meespelen. Het wiel is dan in staat onbalanskrachten door te geven, wat vooral in bochten merkbaar is. Niet de gehele onbalans wordt doorgegeven, maar alleen dat deel dat niet gefilterd wordt door het frame. Bij lage onbalanswaarden is er dus niks merkbaar. Tevens zijn de duurdere wielen vaak van een betere kwaliteit met daarop betere merken banden.